“De Preventiemedewerker voert vaak een eenzame strijd”

Op iedere onderwijslocatie moet een personeelslid –met instemming van de medezeggenschapsraad- zijn aangewezen als preventiemedewerker. Maar daarmee hebben scholen het voorkomen van veiligheids- en gezondheidsproblemen nog niet op orde. “Te vaak blijkt dat onderdelen van een plan van aanpak niet of pas laat worden uitgevoerd,” aldus NISHV-docent Jan Bos. Preventiemedewerkers volgen cursussen vanwege de inhoudelijke kennis, maar blijken ook veel behoefte te hebben  aan strategisch advies: “Hoe krijg je noodzakelijke verbeterpunten uit het plan van aanpak erdoor bij de schoolleiding, willen ze weten.” 

Preventiemedewerker is vrijwel altijd een neventaak. “Dat betekent dat veel preventiemedewerkers zich nogal afhankelijk voelen van de medewerking van hun leidinggevende om dat gedaan te krijgen, wat zij nodig achten. Maatregelen uit het plan van aanpak die wat meer geld kosten of dwang van het management nodig hebben, lopen hierdoor soms vertraging op. Vanuit mijn achtergrond als veiligheidskundige beschouw ik een plan van aanpak als een opdracht die een school aan zichzelf stelt: er zijn risico’s vastgesteld en het gaat erom die te reduceren. Dat een veiligheids- of gezondheidsrisico blijft bestaan, is blijkbaar niet dwingend genoeg richting schoolleiding, ondanks het feit dat dit een wettelijke verplichting is.”

Het opleiden van preventiemedewerkers beschouwt Jan Bos deels als het in hun kracht helpen van de deelnemers. "Natuurlijk is het eerste doel van de cursus het opdoen van kennis om je taak succesvol te kunnen uitvoeren. Naast de vakinhoud komt vooral in de verdiepingscursus ook de positie binnen de school en relatie met de schoolleiding aan de orde. Dan laat ik deelnemers voorbeelden meenemen van kwesties die op hun school maar blijven slepen. Ik kan ze vaak helpen met extra inhoudelijke argumenten, bijvoorbeeld op welke wetsbepaling of welk normblad ze de directie kunnen wijzen. Soms is er ook behoefte aan strategisch advies om dingen gedaan te krijgen. Daarover wordt onderling veel gesproken. Een mooie wisselwerking, die ik weleens  wat moet afremmen om de lesstof volledig te kunnen doornemen. Preventie is een vaak eenzame strijd; deelnemers ervaren het als een ruggensteun dat veel collega’s in een zelfde situatie zitten.”

Grote verschillen tussen de diverse onderwijssectoren signaleert Jan Bos vooralsnog niet. “Wat ik in de afgelopen warme zomer- en herfstmaanden op allerlei soorten scholen tegenkwam, zijn klimaatproblemen. Je merkt veel frustratie over het feit dat ondanks hoge investeringen in techniek niet de gewenste temperatuur en luchtkwaliteit bereikt worden. Verder hebben preventiemedewerkers in het voortgezet onderwijs en het mbo inhoudelijk wat zwaardere kwesties omdat er ook praktijklokalen zijn. In het primair onderwijs lijkt het veiligheidstechnisch wat meer rechttoe-rechtaan. In het PO valt me vooral de toename van werkdruk op èn hoeveel jonge kinderen tegenwoordig een allergische aandoening hebben. Op zich kun je daar met simpele maatregelen veel aan doen, bijvoorbeeld planten verwijderen en geen jassen meer toelaten in de klas. Maar van de eenzaam strijdende preventiemedewerkers leer ik ook dingen, zoals dat zelfs dat soort simpele maatregelen niet altijd eenvoudig te realiseren zijn…. Het beïnvloeden van gedrag wordt als lastig ervaren. Met name tijdens de verdiepingscursus gaan we daar verder op in en bieden handvatten om de strijd van de preventiemedewerker iets minder eenzaam te maken.”